|
1945 - De Kranten
Het was 1945. De oorlog was over; Nederland was weer
vrij. De ondergrondse krantjes waren uit hun
schuilkelders gekropen en konden nu in het openbaar
uitgegeven en gelezen worden. Het Vrije Volk,
De Volkskrant, Het Parool, De Waarheid, Trouw,
enzovoort—allemaal kranten die hun wortels in de
ondergrondse hebben en hadden.
Zo lang de oorlog aan de gang was bestond er een groot
respekt voor de ondergrondse blaadjes. Want, als je dag
in dag met propaganda en verzinsels gebombardeerd wordt
die er op uit zijn om je in het ongewisse te houden over
wat er echt gebeurt, ben je blij met een gestencild
blaadje met actuele informatie, ook al moet je het
meteen verbranden na het gelezen te hebben.
Want het in je bezit hebben van zo’n ondergrondse
missive was doodgevaarlijk, niet alleen voor de
bezorger, maar ook voor de ontvanger. Als je gepakt werd
met dit soort literatuur in handen kon je van alles
verwachten. Je kon in de gevangenis terecht komen, maar
met net zoveel plezier naar een concentratiekamp
getransporteerd worden, of de doodstraf krijgen; er was
geen bepaalde norm—je lot was nu in handen van de
“Sicherheitsdienst”, en die had blijkbaar geen vaste
regels. Ondanks deze perikelen stopte het uitgeven van
de “zwarte” krantjes niet, en ook onder elkaar was de
saamhorigheid onder de ondergrondse pers groot. Het was
niet ondenkbaar dat een Volkskranter
(Katholiek) of een Trouwer (anti-revolutionair)
het verspreiden van de Communist-gezinde Waarheid
even overnam als de Waarheid-persoon om de een
of andere reden niet in staat was
zijn verspreidingsplicht te vervullen. Solidariteit!
Allemaal in dezelfde boot tegen de Mof.
TOPp
1929-1940 - Crisistijd
De crisistijd, van 1929 tot 1940, was
het tijdperk van
Louis Davids met zijn “Kleinen Man”. Er
was grote werkloosheid, en geldgebrek, zelfs nijpend
geldgebrek, blijkbaar over de hele wereld. Vrijwel
iedereen was arm, of bijna arm. Nederlanders van
tegenwoordig, met twee autos in de garage naast hun
riante doorzon-woning hebben geen idee waar we toen
doorheen gegaan zijn.
Mijn vader klaagde steen en been over de
voortdurende loonsverlagingen ingesteld door
Minister
Colijn, die hij verfoeide, waarschijnlijk samen met nog
een heel stel andere Ministers. Colijn en zijn consorten
waren rechts, mijn vader en zijn vrienden waren
overwegend links, dat had ik ook begrepen. Maar ik was
nog maar een jaar of veertien, vijftien, een volkomen
nul op politiek gebied, hoewel ik donders goed begrepen
had wie het was die het “pakkie van den Vice-Admiraal” betalen moest. Maar daar bleef het wel bij, mijn
politieke inzicht. Ik voelde me niet voldoende
onderricht om zinnig onderscheid te kunnen maken
tussen de over de vijftig politieke richtingen die tot
en met die noodlottige dag toonaangevend waren in
Nederland. Het was dan ook een moeilijke keuze. Het leek
wel of het niet gaf of je door de hond of door de kat
gebeten werd: iedereen had toch geldgebrek.
Een van onze vrienden, Han van Zomeren,
die zei dat hij Communist was, vond dat het uitbreken
van de oorlog bewees dat iedereen zich met politiek
hoorde te bemoeien, maar de rest van ons kringetje had
daar geen oren naar. Dat kan wel zijn, zei hij, wacht
maar tot de politiek zich met jou gaat bemoeien.
Joop Kool ["Ster"
in Geschrijf], een van onze Joodse vrienden, zei op een keer
geleerd, dat Nationaal-Socialisme een contradictio in
terminus was. Hoezo? vroegen wij. Hij legde uit dat
Socialisme en Communisme algemene begrippen waren,
iedereen betreffend, en dat het niet aanging om dat te
beperken met een woord als Nationaal. Ik vond het nogal
muggenzifterig, maar hij had waarschijnlijk gelijk.
TOPp
1940 -
Bezetting
Toen de oorlog uitbrak, in Mei 1940, was
ik 19 jaar jong en onbedorven. Hoewel de kiem al in 1914
gelegd was, kwam de oorlog niet gelegen. We hadden net
een tiental jaren crisistijd achter de rug, en we hadden
betere tijden verwacht.
In de vier jaren die volgden was het de Bezettende Macht
die het op het gebied van politiek in zijn eentje voor
het zeggen had—zonder er ons in te mengen of ons te
vragen of het wel goed was werd ons voorgehouden:
“Duitsland Vecht Voor Europa Op Alle Fronten!” De
Bezetting maakte dat geschilpunten van geen betekenis
werden. Tegen wil en dank hadden de Nazi’s ervoor
gezorgd dat Nederland nu maar twee partijen overgehouden
had: anti-Duits en pro-Duits. Nederland had de
utopia-staat bereikt: 90% politiek homogeen.
Over het algemeen vertrouwden Nederlanders hun kranten
die vóór Mei 1940 in hun bus gleden, zelfs al
verschilden ze hier en daar wat van toon. Maar na de
inval was de heersende teneur van het Nederlandse Nieuws
op niet al te subtiele wijze gaan overhellen tot de
Nazistische kijk op het wereldgebeuren. De Telegraaf bijvoorbeeld, leek in zijn uiterlijk nog steeds op
De
Telegraaf van een maand geleden, met dezelfde Gothische
letters in de kop, maar de hoofdredacteur was
onmiddellijk vervangen geworden door een NSB’er,
waardoor het blad vrij snel een stevig onderdeel van het
Deutsche Neues Buro werd.
Het werd spoedig duidelijk dat
we niet meer konden verwachten enig redelijk,
onafhankelijk nieuws in welke Nederlandse krant dan ook
aan te mogen treffen – het was maar het beste om je
eigen konklusies te trekken. Weliswaar werden er,
meestal mondeling, geheime berichten verspreid door
waaghalzen die met levensgevaar een radiotoestel op
zolder verborgen hielden of vernuftig in een holle muur
verstopt hadden, en die met veel moeite hadden kunnen
ontcijferen wat er door de BBC gezegd werd. (De Bezetter
onderhield dag en nacht storingen op die golflengte, die
het verstaan van wat er gezegd werd heel moeilijk
maakte). Maar zelfs die berichten waren niet
altijd te vertrouwen – Nederland bevatte ook een heel
stel NSB-ers die er niet tegen opzagen om ons allerlei
valse onthullingen op de mouw te spelden.
TOPp
1940-1945 -
Politiek
Als ik al jong en onbedorven was in 1940 hadden de
oorlogsjaren me niet echt gereed gemaakt om me zelfs met
de na-oorlogse politieke toestand te willen inlaten.
Vlak voordat de oorlog ten einde raakte bestond er voor
een kort poosje een Duits-getind krantje De Gil, dat
cynisch voorspelde dat de “Captains of Industry”, de
Grote Collaborateurs, na de oorlog mischien even berispt
zouden worden, maar na zeer korte tijd weer het heft in
handen zouden hebben om te voorkomen dat de profijten
van de Wederopbouw in handen van beunhazen terecht
zouden komen. Er werd voorspeld dat de Collaborateurs de
jongens waren met de nodige apparaten—de Weigeraars
zaten financieel aan de grond en waren dus ineffectief.
Toen we dit lazen dachten we natuurlijk
allemaal: Misselijke propaganda! Dat kan niet meer
gebeuren in het Nieuwe Nederland! Niet nadat we de
intense solidariteit onder de verschillende partijen met
eigen ogen hebben kunnen aanschouwen! De politieke
toestand van vroeger bestaat niet meer! Samenwerking!
Onze Nieuwe Regering zal het Recht zijn loop laten
hebben
Echter, niemand in de kers-vers uit
Engeland gerepatrieerde Regering had er blijkbaar erg in
dat ze de Heulers van hun apparaten hadden kunnen
ontdoen en al was het maar uitlenen aan de nu
noodlijdende Vaderlandslievende Weigeraars. O, de
boosdoeners werden op het matje geroepen, dat was met
niet te veel verbeeldingskracht te voorspellen geweest.
Een paar ondergeschikten ging zelfs een paar weken de
bak in! Het Recht moest gelden! De bazen werden streng
onderhouden en beloofden het nooit meer te doen, wat
niet bar moeilijk was, omdat een dergelijke situatie
zich waarschijnlijk nooit meer zou voordoen, waarna
alles weer ging zoals het voor de oorlog altijd gegaan
was. Dit was een grote politieke schok, die in mij geen
tedere gevoelens voor politici en aanverwante personen
deed ontwaken.
TOPp
Nachtmerries
We waren, zoals vele anderen, aardig wat vrienden en
kennissen kwijtgeraakt. Han van Zomeren, gefusilleerd
voor zijn Communistisch ideaal; Joop Kool, vergast omdat
hij de sof had Joodse ouders te hebben; later ook zijn
ouders, zijn jongere zus Hannie, allemaal naar het
“Arbeitslager”; John, de broer van
Piet van Elk (waarover meer later),
die gesnapt werdt toen hij Joden over de grens
smokkelde, overleed aan een
plotseling opkomende “maagkwaal”; mijn broer Jan’s
eerste vrouw, die op de eerste dag dat het nodig was
voor Joden om de opzichtige gele ster te dragen besloot
het nog een dag uit te stellen, een ernstige vergrijp
dat haar in Auschwitz het leven heeft gekost.
Nachtmerrie na nachtmerrie.
TOPp
Een Droom
Gelukkig weten we nu dat het inderdaad niets
anders dan een nachtmerrie is geweest. Een Wijze uit het
Oosten heeft uit de doeken gedaan dat al die vergasserij
maar een verzinsel was, door de Westerse landen, vooral
Amerika, als een excuus gebruikt om de Staat Israel in
het leven te kunnen roepen en de Joden een stuk van
iemand ander’s land te geven.
Wat de Wijze uit het Oosten verzuimt te
noemen (misschien is zijn Allah niet zo oud als Muslems
denken dat hij is, en is deze hele episode ongemerkt aan
hem voorbijgegaan) zijn de niet-Joden die in
concentratiekampen verhongerd, doodgeslagen en op andere
wijze vermoord werden. Tegenstanders van her regime
zowel als Zigeuners, Homofielen, zwakzinnigen, Jehova’s
Getuigen en andere religieuze dwarsliggers – nog eens
zeven en een half miljoen, net zoveel als Joden,
verloren hun leven in de nachtmerrie).
Maar het is een hele opluchting te weten
dat het nooit plaatsgevonden heeft; het was toch al niet
te geloven dat het echt gebeurd was. Misschien hebben we
het wel gedroomd dat er eens soldaten door onze straten
liepen, in een ganzenpas waarvan we dachten het eind
gezien te hebben nadat het Duizend jaar Reich in elkaar
gestort was. En toch . . . . het leek zo reëel.
Misschien dat we nu wel weer dromen als
we hetzelfde potsierlijke gedoe op televisie zien, nu
met een Orientaal tintje, terwijl we ons afvragen of de
mensheid ooit leert.
TOPp
Beroepskeuze
Weinig mensen van 20 weten 100% zeker
welk beroep ze zullen gaan uitoefenen in de rest van hun
leven. Ik hing en wurgde tussen musicus en
reclametekenaar. Dit had veel te maken met het feit dat
ik een luie inslag had, en dacht dat een van die twee
beroepen, of misschien wel allebei, een makkie zou
opleveren. Ik had de avondschool van de
Kunstnijverheidsschool bezocht, en had wat beginselen
van Reclame geleerd. Maar ik had ook in ’37 of ’38 voor
vijf gulden een trompet gekocht van een vriend van een
vriend, die in geldnood verkeerde. Na een paar weken kon
ik daar aardig geluid uit krijgen en ik imiteerde
trompettisten zoals Louis Armstrong en de toen populaire
Engelsman, Nat Gonella. Ik ontmoette daardoor andere
jongens die een instrument speelden: pianisten,
saxofonisten, trombonisten, drummers, guitaristen – een
hele nieuwe, prettige wereld begon zich voor me te
openen. Saxofonist en klarinettist Piet van Elk en ik
richtten een kleine vijf-man swingbandje op, en ik
waande me een musicus. Dat was natuurlijk niet zo: een
echte musicus studeert jaren voordat hij zich dat noemen
mag, en ik was eigenlijk maar een kwajongen met een
trompet. Maar toen we na een poosje wat naam begonnen te
krijgen, was ik er niet helemaal meer zeker van of ik nu
wel een reclametekenaar zou willen zijn of een
toonkunstenaar. Het leek wel of van geen van de twee
beroepen een breuk of een zere rug kreeg.
Piet van Elk was een
tekenfilm-enthousiast, en we bekeken samen stukjes film
van Max Fleisher en Walt Disney, beeldje voor beeldje,
om te zien hoe het gedaan werd, en uit te vinden waarom
het nodig was bewegingen te overdrijven. Piet was
namelijk van plan om, samen met zijn broer John, een
tekenfilmstudio te beginnen. Hij wist ook aardig wat van
de technische kant ervan; hij had allerlei literatuur
over het onderwerp, en was zelfs een camerastand aan het
bouwen. Ook had hij stapels uit de krant geknipte Mickey
Mouse strips, en had zelfs het begin gemaakt van een
eigen stripverhaal met een figuurtje dat hij “Bim”
genoemd had.
TOPp
Oorlog
En daar kwam de oorlog, en de Bezetting.
De Duitse Overheid hield niet van Jazz,
dat ze “Jats” noemden, en bestempelden als
“Negermoeziek”, een gedegenereerde Amerikaanse uitwas,
die niets met muziek te maken had. Rimboe-geluiden, die
een verruwing van de mentaliteit veroorzaakten.
Echter, Jazz was wat wij voortbrachten.
Wij improviseerden, er kwam geen geschreven noot aan te
pas. Ook vonden we snel uit dat, als je een musicus was,
je verondersteld werd lid van hun “Kulturkammer” te
worden, en je aan hun strenge, nette regels te houden.
Dit betekende voor ons dat we van nu af aan alleen nog
maar wat wij noemden “hopsasa” muziek mochten
produceren. Je mocht dan nog wel eens een
geimproviseerde solo spelen, maar die mocht niet langer
zijn dan vier maten. Bovendien mochten Joden zich al
spoedig niet meer in openbare gelegenheden ophouden, en
dat betekende meteen al het einde van de muzikale
carriere van onze drummer.
Natuurlijk hielden we ons niet aan die
waanzinnige voorschriften. Degenererend gingen we verder
met het verruwen van de Nederlandse mentaliteit, maar
het was niet zonder gevaar, want je wist nooit of er
zich niet een Kulturkammer-spion in het publiek ophield,
die onze snode daden zou doorgeven aan de Autoriteiten.
De aardigheid was er een beetje af. Het was zonder dat
al geen pretje om onder de Nieuwe Orde te leven – je
raakte er aan gewend om voortdurend over je schouder te
kijken, met een constant kriebelig gevoel in de maag. En
we hadden nog 999-plus jaar tegoed.
Piet van Elk had meteen in Juni 1941 aan
De Telegraaf aangeboden om de Mickey Mouse strip voort
te zetten, nu de aanvoer uit Amerika stopgezet was, maar
de redaktie van De Telegraaf wees hem erop dat dat een
schending van Walt Disney’s copyright zou betekenen, en
dat was zelfs de Nazi’s te bar. Het bleek later dat de
Muis verslonden was door een Kat. De strip Tom Poes van
Marten Toonder begin in 1941 in De Telegraaf en het
Nieuws van den Dag te verschijnen. Die werd door ons ook
druk uitgeknipt en ingeplakt.
TOPp
Ontmoetingen
Ik had kennis gemaakt met Joop Philips,
de pianist van Johnny Meyer, de bekende accordionist.
Johnny had een cafe op de Nieuwendijk. Als gast blies ik
daar wel eens een stukje trompet mee, en Johnny
engageerde me, in 1941, om daar als vast lid van zijn
groep te komen werken. Johnny’s bassist was Nelis
Pieters, ook bekend staand als Manke Nelis.
Omstreeks dezelfde tijd gingen wij vaak
kamperen, soms met Joop Kool, Carol Penraat en
Henk
Huiskes, een andere pianist, in Hargen, in Noord
Holland. Op hetzelfde kampeerterrein ontmoetten we op
een dag de dames Loeki Uittenbroek,
Rita Volk en Riet
Gons, drie telefonistes uit Amsterdam, waar we meteen
anschlusz mee hadden.
Hargen lag aan de zee, en het wemelde er
van de SS’ers, die blijkbaar in een kazerne in de buurt
gelegerd waren. Die jongens wilden wel eens kennis
maken, en waarschijnlijk liever met de meiden dan met
ons, maar dat probeerden wij zoveel mogelijk te
vermijden. Het was nu eenmaal niet politiek correct om
je met de vijand in te laten. Dit was niet altijd te
verwezenlijken. Op een middag, zittend boven aan de trap
die naar het strand leidde, werden de dames door een
SS’er aangesproken met het smoesje of ze misschien
wisten waar er een sigarenwinkel was. Een van de drie
antwoordde in het Duits, wat aan de SS’er een
complimentje ontlokte. “Sie sprechen gut Deutsch! Sind
Sie vielleicht einmal in Deutschland gewesen?”
Ja, ze waren daar wel eens geweest, maar
waren niet van plan daar voorlopig nog eens heen te
gaan. Hij zei dat hij uit Oost-Pruisen kwam. Het gesprek
kwam natuurlijk op de Bezetting, en dat de Nederlanders
daar niet erg blij mee waren. Omdat het bekend was dat
SS’ers vrijwilliger waren, vroeg een van de drie of dat
zo was.
Hij draaide zich om en riep tegen een
andere Duitser: “Heinz! Komm ‘mal hier!” en toen Heinz
naderbij gekomen was, zei hij: “Heinz, sag’ mal, Du bist
doch auch Freiwilliger?” Heinz draaide zijn ogen ten
hemel. “Ja, natürlich, Karl! Ich bin ein Freiwilliger!”
Daarna barsten ze allebei in lachen uit.
Ze legden ons uit dat als je wachtte tot je opgeroepen
werd, je meteen naar het Oostfront gestuurd werd. Als je
“vrijwillig” in het leger ging, had je wat meer keus.
Hierna werd de conversatie iets minder
gespannen, en een van de drie dames had zelfs de
brutaliteit op te merken: “Hitler ist doch verrückt!”
(Dit was een gewaagde opmerking die we in het begin nog
wel eens op een Duitser uitprobeerden, maar dat leerden
we snel af). Karl sprak deze observatie en conclusie
niet tegen, hoewel hij het ook niet beaamde. Wat hij wel
zei, was dat ze een beetje op hun mond moesten letten.
Hij verklaarde dat er met hem noch met Heinz een
probleem was op dat gebied, maar hij waarschuwde hen
voor een andere SS’er, die iets verderop stond, en een
bril op had. “Met die moet je oppassen. Dat is een
Nazi.”
Welkom in de realiteit van Adolf’s
droomwereld. Twee best aardige knullen uit Oost Pruisen.
Duidelijk geen vechtersbazen. Maar de politiek had zich
met hen bemoeid, en ze bevonden zich nu, in het uniform
van kanonnenvoer, ver van huis in een vreemd land waar
ze met de nek aangekeken werden.
Naar Piet’s voorbeeld was ik ook aan het
ontwerpen van stripfiguurtjes begonnen, maar ik was daar
tot nu toe nog niet erg succesvol mee. Ik had me
geconcentreerd op een Eend als hoofdfiguur, een kruising
tussen Donald Duck en Wammes Waggel. Ik had er nog geen
naam voor bedacht, maar op een dag, in 1942, leerde ik
door een oud-klasgenoot C.H. Pieterse (Striplexicon,
pagina 193) kennen, die een strip in Het Volk had lopen: “Dikkie Duiver en Paultje Poon”, en naar een inkter
zocht. Ik bood me aan. Voor een korte tijd werd ik
Pieterse’s medewerker. Het staat me niet helder meer
voor de geest waar Dikkie Duiver over ging. Ik weet
alleen nog dat het zich onder water afspeelde, dus
Dikkie en Paultje zullen wel vissen geweest zijn. Na
verloop van tijd kwam Pieterse ons wel eens opzoeken, en
ik liet hem schetsjes zien, onder andere van mijn Eend,
die nog geen naam had. Hij noemde hem onmiddellijk:
“Stuitje Platvoet”, want ik had hem enorme voeten
gegeven, en een flinke opstap. De Eend is nooit
werkelijkheid geworden. Ik had te veel moeilijkheden met
de gezichtsuitdrukkingen.
TOPp
Tekenfilm en Strips, Marten Toonder Studios
We waren dikke vrienden geworden met de
drie dames die we in Hargen ontmoet hadden, en Loeki
liet me op een dag een advertentie zien van een
tekenfilmstudio, die medewerkers zocht. Ik meldde me bij
deze Toonder-Geesink Productions, op de Nieuwezijds, met
wat voorbeelden van mijn inktwerk en begon daar als
cel-inkter. Dit duurde maar kort, want toen bleek dat ik
iets van het systeem afwist werd ik tot
assistent-animator benoemd. Dat jaar was een van de
hoogtepunten van mijn leven, maar daar heeft een
22-jarige geen idee van. Ik werkte dagelijks samen met
lui die later grote bekendheid kregen, zoals Cees van de
Weert, Henk Kabos, Wim Boost,
Geertie Knoef, Hans
Kresse, Carol Voges, Jan-Dirk van Ekster,
Henk Sprenger,
Henri Albers, en die konden allemaal tekenen. Dat was
meer dan van mij gezegd kon worden, want hoewel ik daar
als animator best op zijn plaats was, vond de Baas mijn
tekenkunst maar zo-zo.
Marten Toonder tekende zijn dagstrips in
zijn privékantoor, en gaf daarna de potlood- tekeningen
aan Wim Lensen, die ze in inkt zette. Wim Lensen had
zijn desk in dezelfde kamer waar wij zaten te animaten,
zodat wij nu en dan over zijn schouder zijn kunsten
konden afkijken.
TOPp
Toonkunst
Hoewel werken aan een tekenfilm zijn
interessante en opwindende kanten heeft, is het werk
zelf vrij eentonig. Het salaris was ook niet geweldig;
het leek wel of trompetblazen meer opbracht, en toen
Nelis Pieters, in 1943, mij voorstelde lid van zijn
10-man orkest te worden, dat op tournee ging door
Nederland, met Trekpleisters zoals Kees Pruis, toen een
bekende humorist, en Frans van Schaik (De Zingende
Zwerver), gaf ik mijn baan bij de studio op en werd weer
musicus.
Bij de eerste repetitie bleek dat dit
tien-man sterke orkest geen repertoire had. Daar had
niemand bij stilgestaan, want dit waren allemaal musici
die gewend waren om in kwartetjes of kwintetjes te
spelen, waar je vrijwel geen organisatie bij nodig had –
je hoefde alleen maar kunnen improviseren, er stond
niets op papier, en iedereen wist wat te doen. Maar met
tien man lukt dat niet, dat vereist wat organisatie. En
om tien soloisten in de maat te laten lopen en in een
orkest om te toveren valt niet mee.
Er was ook de kwestie van het repertoire zelf. Je kon
als een klein groepje wel wat Amerikaanse nummers op je
programma hebben, maar als je met een officieel orkest
uit de bus kwam, voor een zaal vol mensen, kon je wel
last met de gevreesde Kulturkammer verwachten. Deze
nieuwe toestand moest van meet af aan anders aangepakt
worden. Amerikaanse nummers mocht niet, Duitse mopjes
wilden we niet, en er bestonden eigenlijk maar weinig
Hollandse composities die de moeite waard waren.
Ik had in het verleden eens een soort
“Herkenningsmelodie” bedacht, maar die was nog nooit op
papier gezet. Ik kon niet vlot muziek lezen, maar ik had
een greintje kennis van accoorden en muzieknotatie,
genoeg om iets eenvoudigs op te kunnen schrijven. En met
de zelfverzekerdheid die alleen maar kan worden
voortgebracht door iemand van drie-en-twintig, kwam ik
op de volgende repetitie gewapend met een “tune” van 16
maten, met een fanfare einde, op zes velletjes
muziekpapier, voor twee trompetten, een trombone en drie
saxofoons.
Met de saxofonisten had ik geen
probleem, maar de trombonist keek naar zijn partijtje en
zei: “Wat moet ik daarmee? Je hebt dit in de
vioolsleutel geschreven en een trombone staat in de
bassleutel.” Ik moet beteuterd gekeken hebben, want hij
zette me meteen daarna op mijn gemak. “Het geeft niet,
hoor,” zei hij. “Ik kan het in mijn hoofd omzetten. Ik
heb jarenlang van derde-trompet partijtjes moeten
lezen.”
Ondanks mijn vertoon van onbekendheid
met de fijne kneepjes van het vak speelden we het
dingetje, en tot mijn verbazing klonk het beter dan ik
vermoed had. Het leek wel echt! Hierdoor gesterkt had ik
voor de volgende bijeenkomst een swing-arrangement bij
me van het Hollandse liedje “Roodborstje”, gebaseerd op
de formule die de “Ramblers” toepasten. Ook dat leek
ergens op. Hee! Ik was een arrangeur! Maar ik had nog
meer noten op mijn zang. Een paar dagen later had ik een
eigen compositie bij me, en ook dat klonk redelijk goed.
Tjonge-jonge! Ik was nog een componist ook!
Ik weet natuurlijk wel dat Wolfgang Amadeus zich
op de knieen zou hebben geslagen van het lachen als hij
me had kunnen zien prummelen, maar voorlopig was ik
Koning Eénoog in het land der blinden.
Toen we eindelijk op tournee gingen,
bevatte het repertoire zes van mijn composities, en ik
had er nog wel meer in mijn hoofd, maar daar is nooit
iets van gekomen, want als je altijd in hotels leeft is
er weinig gelegenheid om rustig te zitten schrijven.
Kees Pruis, die dacht dat ik beter was
dan ik was, gaf me eens de tekst van een van zijn
liedjes en vroeg of ik daar een melodietje bij kon
maken. Maar dat is me niet gelukt. Ik kon er gewoon niet
in komen. Dat is een heel aparte tak van dienst, en zijn
pianist was daar veel beter in. Die raffelde iets heel
behoorlijks af in minder dan geen tijd.
“Carlo Pietro en zijn Orkest” heeft
bestaan tot het, bij gebrek aan transport, kort nadat de
Grote Treinstaking begon, overleed. We hebben het nog
een keer geprobeerd met een vrachtauto op houtgas, maar
dat was geen betrouwbare manier van voortbewegen, er
waren teveel problemen mee.
TOPp
Invasie
De Invasie vond op 6 juni 1944 plaats.
Dit stond niet in de krant. Waarschijnlijk vond Het
Bewind dat het geen nut had om het het Nederlandse
publiek te laten weten. Noch werd er de volgende dag
vermeld dat Siem Praamsma en Laurence Maria (Loeki) Uittenboek
op 7 juni 1944 in Amsterdam, onbekend met het
wereldgebeuren, in het huwelijk getreden waren.
Het ging niet ongemerkt voorbij
aan Manke Nelis. Op de dag nadat we getrouwd waren zag
hij ons lopen op het Stationsplein in Amsterdam en
schoot op ons af. We vertelden hem het heugelijke nieuws
en hij zei: "Wacht hier even!", en snelde weg, om enige
ogenblikken later terug te komen met een enorme bos
rozen, die hij Loek in de hand drukte.
De oorlog woedde nog bijna een jaar
door, en in de laatste maanden ervan had ik ampel tijd
om te zitten tekenen, want de muziekwereld bestond
practisch niet meer – iedereen had het in de
hongerwinter te druk met het opsporen van voedsel en het
trachten uit de handen van de Duitsers te blijven. Ik
was ondergedoken, eerst op de Weteringschans, waar ik
een schuilplaats had gebouwd in een holle muur naast de
kleerkast, later in Naarden, met een schuilplaats onder
de trap naar de zolder, en nog later in Hilversum, bij
Loek’s ouders.
TOPp
Eend
Wordt Mens
Gedurende die tijd veranderde de Eend
langzamerhand in een dik mannetje met een overmaats
pinkeldasje en een lorgnet. Tegen april of mei 1945 had
ik zelfs al een paar strips vervaardigd, naar het
voorbeeld dat ik bij Marten Toonder had zien ontstaan,
maar in mijn opinie waren die niet de moeite waard om
aan iemand te laten zien. Voorlopig was het alleen nog
maar een moeizaam tijdverdrijf. Ik had over de eerste
zes of zeven strips een maand gedaan, en ik was er niet
geweldig mee ingenomen. Wel had ik mijn stripheld al
een naam gegeven. Ik had besloten dat hij, in
tegenstelling tot al die onwaarschijnlijke striphelden
die al bestonden, een anti-held zou moeten zijn, een
bangebroek. Weliswaar met een
meerderwaardigheidscomplex, zoals dat bij meer mensen
voorkomt, maar geen krachtpatser. Een betrekkelijk
gewoon mens, met gewone menselijke reacties. Een min of
meer jofele jongen. Jofel. Jopie Jofel. Nee, te gewoon.
Johannes Jofel. Ook niet, loopt niet lekker.
Jochem
Jofel. Perfect!
TOPp
Vreede
In Mei 1945 was de oorlog eindelijk
voorbij, en er werd weer muziek gemaakt in Amsterdam,
dat fungeerde als “Rest and Recreation Area” voor
Canadese soldaten. Samen met Henk Huiskes en
Ger Bronk,
een geweldige tenorsaxofonist, waarmee ik al voor de
oorlog
kennis gemaakt had, en een drummer
waarvan ik de naam vergeten ben, speelden we op de
Nieuwendijk, tegen 130 gulden de man per week. Bovendien
waren de Canadezen erg gul met het weggeven van
sigaretten, die nog steeds schaars en duur waren. Een
verzoeknummertje bracht soms een “handje” sigaretten op,
en de meeste avonden gingen we naar huis met ieder tien,
twintig, sigaretten, die óf zelf opgerookt, of verkocht
konden worden. Zo’n inkomen van 150 gulden per week
maakte dat striptekenen voorlopig niet vooraan stond op
mijn lijst van prioriteiten.
Loek had mijn probeersels aan Pieterse
laten zien, en die vond ze goed genoeg om mee te nemen
en stelde haar voor ze aan de redactie van Het Volk te
laten zien, dat nu Het Vrije Volk heette, en waar hij
connecties had, in de hoop op een plaatsing. Loek was
het met hem eens. Een paar dagen later kwam Pieterse
terug met de boodschap dat Het Vrije Volk niet
geinteresseerd was, maar dat hij het waarschijnlijk kon
plaatsen in De Waarheid, een communistisch getint
nationaal dagblad. Ik vroeg aan Pieterse wat voor een
krant het was, en hij zei “nogal links”, iets linkser
dan Het Vrije Volk. Een in de ondergrondse goed-bekend
staande publikatie. Ik zei dat ik er over wilde
nadenken, maar toen ik een paar dagen later ’s avonds
thuis kwam, gaf Loek me het heugelijke nieuws. De
Waarheid had het aanbod geaccepteerd.
TOPp
Paniek
Onmiddellijk zette paniek bij me in. Het
was aardig geweest als een soort tijdverdrijf, maar het
produceren van een dagelijks stripverhaal zag ik
helemaal niet zitten. Ik wees haar er op dat ik nog lang
niet klaar was om zo’n permanent engagement te
ondernemen, het leek nog nergens op, ik was te langzaam,
ik wilde nog wat meer tijd hebben om de kwaliteit op te
voeren, ik . . . wist me geen raad en verzon van alles
om er onderuit te komen. Zoveel zelfvertrouwen als ik
met muziekmaken had, zo weinig had ik als het op tekenen
aan kwam. Maar het onvermijdelijke gebeurde: Jochem
Jofel begon zijn krantenleven op 21 juli 1945, met
“Het
Avontuur in de Slummerdamse Bergen”.
(De Waarheid had toen nog niet
zijn eigen drukkerij. Het blad werd gedrukt op de persen
van Het Handelsblad. Het was waarschijnlijk een
noodlijdend bestaan, want een grote bron van inkomsten
van iedere krant bestaat uit advertenties. De Waarheid
was geen favoriet van het grote publiek, en grote zaken
wilden zich niet associëren met wat eigenlijk een
opruiende publikatie was.)
Werkschuwe vlegel die ik was, gaf ik na
een week het trompetspelen er aan. Ik was gewend om ’s
morgens tot een uur of elf te slapen, op m’n gemak wat
te eten, en rond te hangen, en als je dan om 6 uur weg
moet (we werkten van 7-11 uur) blijft er niet veel tijd
over om moeizaam strips te tekenen. Ook moest er tijd af
om het verhaal te bespreken met Gerrit Kouwenaar, die
door De Waarheid aangewezen was om de teksten te
schrijven. Wat niet zo leuk was, was dat De Waarheid
slechts vijf gulden per strip betaalde, neerkomend op 25
of 30 gulden per week, een stevige inkorting van ons
inkomen.
Henri Albers (voor mij nog steeds
“Henkie”) kwam me in het begin af en toe belangeloos een
handje helpen. Aan zelfvertrouwen ontbrak het hem niet.
Hij kon in een paar tellen iets bruikbaars op het papier
slingeren.
“De Slummerdamse Bergen” werd gevolgd
door “De Erfenis van Den Ouden Jofel”,
“De
Zwaartekrachtmachine”, en
“De Baron Poeth van Banck-Rhoetinghe”. Jochem had eerst nogal wild zwart haar, en
droeg een lorgnet. Dit knijpbrilletje liet ik de loop
van het eerste verhaal varen, en pas in strip nummer 46
kreeg hij voor de eerste keer zijn kleine gleufhoedje.
Er ging een boekje verschijnen van “De
Erfenis”, en ik besloot de tekst, die door Gerrit
Kouwenaar geschreven was, wat te veranderen, meer in
overeenstemming met mijn gevoel over de strip. Daarna
kwam ik met De Waarheid overeen dat ik mijn eigen
teksten zou schrijven.
Toen ik met de "Baron Poeth van
Banck-Rhoetinghe" bezig was, omstreeks februari of maart
1946, vroeg de redactie van De Waarheid mij om een
tekening te maken voor een kleur-in-wedstrijd voor
kinderen. Het was voor het Paasnummer, een volle pagina
met haasjes, kippetjes, kuikentjes, mandjes met eieren,
en een boerderijtje en van alles en nog wat op de
achtergrond. Ik accepteerde, en leverde na een week of
wat de gewenste tekening af, met een rekening voor 100
gulden, volgens afspraak. Het Paasnummer kwam in april–
geen kleur wedstrijd. Gebrek aan plaatsruimte, zei
hoofdredacteur van der Drift, en daar was blijkbaar voor
hem de kous mee af.
De Waarheid was een krant die uitlegde
dat de wereld in twee kampen verdeeld was: een grote
massa zich eerlijk in het zweet werkende, maar
onderbetaalde arbeiders, plus een kleine elitaire groep
schatrijke nietsnutten die dagelijks grijnzend naar de
Bank slenterden om daar de over de moede ruggen van de
zwoegende arbeiders verdiende winsten te deponeren. Ik
had dus geen reden om te denken dat een krant zoals dat
mijn rekening niet zou betalen. Echter, ondanks mijn
herhaald aandringen kwam van der Drift niet met mijn
eerlijk verdiende honderd gulden over de brug.
Wat was de reden voor deze merkwaardige
beslissing? Als ik er over nadacht kon ik met een stuk
of wat mogelijkheden opkomen. Ten eerste: de tekening
kon niet in de smaak gevallen zijn. Heel goed mogelijk.
Ten tweede: er kon inderdaad geen plaatsruimte zijn
geweest. Papier was nog steeds schaars. Ten derde: De
Waarheid had het geld niet. Mogelijk, maar niet
waarschijnlijk. Ten vierde: Ze hadden met hun
Hoofdkwartier in Moskou gebeld en de bazen daar hadden
gezegd: “Zijn jullie nou gek? Pasen is een religieuze
feestdag, daar geven wij geen cent aan uit.” Wat de
reden dan ook was, de rekening werd nooit betaald. Het
geeft anders wel aardig aan hoe snel idealen aangepast kunnen worden als de rollen omgedraaid zijn.
TOPp
Problemen
“Jochem Jofel als Detective” volgde de
“Baron”, waarna Jochem naar Amerika reisde, en
“De
Geest van Ugh Wau” tegenkwam. Terwijl Jochem zich met
het ontmaskeren van de Geest bezig hield, vroeg de
redactie van De Waarheid of ik niet eens een verhaal kon
produceren dat een politieke inslag had. Ik zei dat ik
niets van politiek af wist en dat ik liever op de vlakte
wilde blijven met mijn keuze van onderwerpen. Maar de
redactie hield vol, en ik beloofde er mijn aandacht eens
aan te schenken. Ik besprak het met Loek.
Loek had net The Prisoner of
Zenda gelezen, en legde me uit dat het ging over de
Kroonprins van Ruretanië die ontvoerd was en hoe iemand
die op hem leek zijn plaats ingenomen had. “Daar heb je
je politieke verhaal”, zei ze. “Jochem lijkt op de
kroonprins van een of ander land, en dan zie je maar
verder”.
Ik dacht bij mezelf: “Dit wordt het
politieke verhaal dat alle andere politieke verhalen ver
achter gaat laten.” Zo begon in december 1946, met strip
nummer 421, “Jochem Jofel en de Verdwenen Kroonprins.”
Ik laat het hier volgen zoals het verscheen, met wat
commentaar waar nodig.
Jochem Jofel krijgt een briefje in de hand gedrukt door
Mientje, het derde keukenmeisje. Daarop staat een adres
in Rarestad, de hoofdstad van Rareboulië. Het blijkt een
eenvoudig huis te zijn, met een kleine bungalow in de
tuin. Jochem gaat erheen, klopt op de deur, en vind dar
de kroonprins, zittend achter een schrijftafel. De
volgende conversatie ontstaat:
“Majesteit!” riep Jochem Jofel, en hij
maakte een klein buiginkje. “Ik heb U gevonden! Iedereen
is naar U aan het zoeken! Waarom verschuilt U zich in
dit eenvoudige huisje?”
“Hou op met dat ge-majesteit!” zei Jan
de Derde. “Zeg maar gewoon Jan3, hoor. Eigenlijk wil ik
helemaal geen koning worden! Niet voordat er grote
veranderingen plaatsvinden!”
“Wat voor veranderingen?” vroeg Jochem.
“Wilt U meer goud in Uw kroon? Of meer autos?”
“Je begrijpt er niets van, Jochem
Jofel,” zei Jan3 hoofdschuddend. “Ik ben juist ziek van
al dat gedoe dat met koningzijn te maken heeft. Er is
veel onrecht in de wereld, Jochem, en daar moet een eind
aan komen!”
”Daar ben ik het mee eens,” zei Jochem.
“Ik heb veel over de wereld gereisd en het is me
opgevallen dat lang niet alles is zoals het zou moeten
zijn. Maar wat kunnen we er aan doen?”
“Wetten!” ziei Jan3. “Wetten die het
onrecht verbieden! bijvoorbeeld. Jij zou me daarmee
kunnen helpen. Ik heb al een paar van die wetten
opgeschreven. Deze bijvoorbeeld: Kranten mogen alleen
nog maar de waarheid drukken. Het wordt van nu af aan
verboden te jokken, met een zware geldstraf voor
overtreders.”
”Dat kan aardig wat geld in het laadje
brengen,” dacht Jochem. ”Hoe zou je zo’n wet kunnen
uitvoeren?”
“Er wordt een Minister van Waarheid
aangesteld, die daar toezicht op moet houden.”
“En wie zou dat moeten zijn?” vroeg
Jochem. “Ik weet niet veel van politiek af, maar ik weet
wel dat er niet zo erg veel doodeerlijke politici
bestaan.”
“Dat is mijn volgende punt. Politici
moeten een examen afleggen om te zien of ze wel de
nodige kwalifikaties hebben voor hun post.”
“O, absoluut!” vond Jochem. “Daar
ontbreekt het nog wel eens een beetje aan!”
“Hier, neem een blocnote,” stelde de
prins voor. “Schrijf het vast op, voor we het vergeten.”
Jochem nam aan de schrijftafel plaats en begon te
schrijven.
“Er moet een Akademie komen voor het
opleiden van politici.”
“Opgeschreven!”
“Grenzen moeten open. Eén
wereldbevolking. Iedereen moet een kans krijgen.”
“Oorlog moet ook verboden worden!” zei
Jochem Jofel. “Wat denkt U daarvan?”
“Prachtig! Schrijf het op!”
“Inflatie mag niet meer. Er moet een
nieuw geldstelsel komen met een globale munt-eenheid.,”
stelde Jochem Jofel voor. “Het is zo lastig als je
steeds geld moet wisselen aan de grens.”
“Goed idee! Hoe zullen we de nieuwe munt
noemen?”
“Daar heb ik ook al eens eerder over
nagedacht. Wat denkt U van Uw-rotjes?”
“Klinkt goed,” zei Jan3. “Dan kunnen we
er zeker van zijn dat dingen niet steeds duurder worden.
Inflatie wordt een fenomeen uit het verleden.”
“Ik heb nog iets, Jochem. Dat is een
beetje persoonlijk, maar het betreft Jan de Tweede, mijn
vader.”
“Hij was heel even ook mijn vader,” zei
Jochem Jofel. “Zeg het maar.”
“Een koning moet kunnen lezen en
schrijven,” zei Jan3. “En Jan de Tweede heeft het nooit
geleerd. Schrijf dat ook maar op.” Jochem schreef.
“En wat nog meer?”
Jan3 keek een beetje verlegen.”Ja, er is
nog meer. Ik wil Mientje.”
“Wie is Mientje?”
“Mientje is het Derde Keukenmeisje in
het paleis.”
“Daar kunnen we geen wet voor maken,”
zei Jochem Jofel. “Dat moet je aan je vader vragen!”
“Dat vindt-ie vast niet goed”
“Okee, we maken er een wet van. Als het
eenmaal een wet is kan niemand er meer wat aan doen.”
Jochem zette het allemaal op papier, en
samen stelden ze al die wetten samen die de hele wereld
veranderd heben. Want alle landen deden mee, zo sloeg
het aan. In Nederland, bijvoorbeeld, werd er een
Commissie ingesteld om het nieuws in de dagbladen te
zuiveren. Deze werd genoemd: Ook
Nieuws Zuiverheid
In
Nederland (ONZIN). U zult zich nog wel herinneren dat er een
tijdlang niets in de krant stond, want nu bleek dat er
haast niets helemaal waar was. Het gevolg was dat alleen
nog maar het weerbericht van de vorige dag gedrukt mocht
worden, en een paar advertenties, want die zijn haast
altijd voor 100% accuraat.
Ook is er sinds die tijd nooit meer
oorlog geweest, want toen het eenmaal wettelijk verboden
was, kon niemand er meer wat aan doen.
Het nieuwe geldstelsel kwam, en alles
werd onmiddellijk een stuk goedkoper.
Jan de Tweede ging terug naar school,
leerde lezen en schrijven, en toen hijeenmaal schrijven
kon, kon hij niet ophouden en schreef in korte tijd 39
dikke boeken. Ook hij had geen zin meer om koning te
zijn, maar nam wel de post aan als Minister van
Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Iedereen die jokte werd beboet, en dat
deed de Schatkist geen kwaad. Veel Sociale Zorgen konden
met de opbrengst betaald worden.
Academies voor politici kwamen tot
stand, en de gepromoveerden ervan hebben de wereld
geleid tot de perfecte staat waarin het nu verkeert.
Oorlogen kwamen alleen nog maar in slechte herinneringen
voor.
Nu bleek ook dat politieke partijen geen
reden van bestaan meer hadden, want iedereen was
tevreden met zijn lot, zodat er niets te kankeren viel.
Daarom zijn er geen politieke partijen meer, zoals U wel
weet.
En die lege kranten? Daar kwam weer wat
leven in nadat Leepneusje benoemd was tot Minister van
Eerlijkheid, en het Commitee O.N.Z.I.N. opgeheven kon
worden. Boezeroentje werd aangesteld als Deken van de
Academie voor het Opleiden van Politici, waardoor het
peil sterk gestegen is.
Dit is allemaal te danken aan de
onwillige Kroonprins en zijn goede vriend Jochem Jofel.
Vervolg: de Praamsma familie
emigreerd eerst naar Australie en daarna naar Amerika.
TOPp
|